Er ligt een man op straat en die is dood.
Voor de rest is de straat verlaten. De man heeft een tas op zijn rug.
Hoe is deze man dood gegaan?
Raadsel 2
Er is een ronde kamer, die kamer is ongeveer 8 meter hoog. Op 5 meter hoogte hangt een balk.
Aan die balk hangt een man aan een strop, deze man is dood.
Voor de rest is de kamer helemaal leeg.
Er zit 1 raam in die kamer, en daardoor schijnt de zon naar binnen.
Hoe is de man aan die balk komen te hangen?
Er ligt een man op straat en die is dood.
Voor de rest is de straat verlaten. De man heeft een tas op zijn rug.
Hoe is deze man dood gegaan?
Eigenlijk weet je niet of deze man is dood gegaan. Je zegt namelijk dat er een man op straat ligt, en dat de straat dood is ;-)
( "op straat en die is dood" )
Een weg wordt gesplitst in 2 wegen, links en rechts (lijkt me logisch). In het midden van de splitsing staat een huisje waarin een tweeling woont, de ene zegt altijd de waarheid, de andere liegt altijd. Aan het einde van één van de wegen ligt het script waar je al jaren naar zocht.
Nu wil je graag weten welke weg je moet nemen om bij de script te komen. Met één vraag aan de tweeling moet je er achter komen of je links of rechts moet gaan.
Nu heel toepasselijk: wat is die vraag?
Een weg wordt gesplitst in 2 wegen, links en rechts (lijkt me logisch). In het midden van de splitsing staat een huisje waarin een tweeling woont, de ene zegt altijd de waarheid, de andere liegt altijd. Aan het einde van één van de wegen ligt het script waar je al jaren naar zocht.
Nu wil je graag weten welke weg je moet nemen om bij de script te komen. Met één vraag aan de tweeling moet je er achter komen of je links of rechts moet gaan.
Nu heel toepasselijk: wat is die vraag?
Als ik aan je broer/zus vraag welke kant hij vind dat ik op zou moeten gaan voor 'het script', wat zou hij dan zeggen?
voorbeeld:
script ligt op pad a:
persoon a (eerlijk) zegt b
persoon b (oneerlijk) zegt b
Je moet dan naar a...
# ) Een dikke en een dunne man zitten aan de bar. Ze bestellen allebei een cola met ijsklontjes. De dikke valt na 10 minuten dood neer. De dunne niet.........
Hmmm de 1e en meteen goed en daarnaast had ik de vraag nog verkeerd gesteld...
Als dyslectici 'zie' ik dingen die andere niet of moeilijker zien. Ik heb moeite met het onthouden van bijv. franse of duitse woorden (na 6 jaar niet tot 20 kunnen tellen :X), maar je kan mij gerust door een stad rijden en dan kan ik voor jou van voor naar achter, of andersom, precies iedere etalage beschrijven...
De afstand tussen A en B bedraagt 42km. Een ongelukkig toeval wil dat op het zelfde spoor tegelijkertijd een trein van A naar B rijdt en een trein van B naar A. De eerste heeft snelheid van 20km/u, de tweede trein een snelheid van 60km/u. Op het moment van vertrekken vliegt er een vlieg van de neus van trein A naar trein B. De vlieg vliegt met een snelheid van 80km/u. De vlieg bereikt trein B en keert meteen weer om tot hij bij A, (ga zo door), tot hij wordt verpletterd tussen de twee botsende treinen.
Nu de vraag: Hoeveel km heeft de vlieg afgelegd?